Het is december 1959. De zevende. Ik ontdoe mij van een lichaam en begin tegelijk een losgemaakt lichaampje. Geduldige biografen gaan aan het krassen. Het wordt een wel heel lineaire tekening. Niet ontvankelijk voor mijn eerste nog pruttelende bezwaren melden zij dat een boom een boom is en blad de takken altijd weer bloot zal achterlaten. Met ijselijk krijt worden grenzen getrokken. De wereld, zo bomen ze onophoudelijk, is vastgelegd en jij zit erin.
Het is december 1959. De zevende. Ik besluit mijn biografen om te brengen. Daar is maar een manier voor. Uit te voeren overigens in ontelbare varianten. Die van mij: vermaard schrijver worden en mijn roem zo vooruit te laten snellen dat de afstand verlangen schept. Dat had ik kunnen worden, dat kan ik nog steeds worden. Het is die spanning die de biografen lijntjes laat spannen. Toen hij zeven was kloonde hij zijn Jip en Janneke. Op zijn vijftiende verbaasde hij de leraar Nederlands met een knap staaltje werk. Twintig jaar oud schreef hij een roman die de archieven van uitgeversachterkamertjes sierde. En met een onwijselijk dichterschap leverde hij gedichten af aan de deur van zijn geliefde - om ze gewillig bij zijn komende schoonmoeder af te geven.
Het blijft maar december 1959. De zevende. En meteen verminkt de wereld in. Overal om je heen zeurt en knauwt en klinkhamert het Kleifries zodat je de taal zo gaat haten dat je schuil zoekt bij het Nederlands. Verloren in de Vreemde, je een taal eigen maken die je niet om je heen hoort. Op een been hinkelen, alleen behoorlijk spreken in inkt. Wat je verder laat horen, klinkt dialectisch krom.
Nu is het zeven december 1959. De biografen zijn begraven. Hun werk heeft een dag omvat en ze zijn er een leven lang mee in de weer geweest. Het is een standaardwerk geworden. Geboren, gewerkt, gestorven. De verleden tijd in GGG-string ‘verbild’. De Grote Gjelt de Graaf. Maar zo was het niet. Het wordt. Steeds weer. De zevende.