Een goed interview heeft geen journalist aan tafel. Het enige interview dat er toe doet gaat altijd maar door en manifesteert zich op het moment dat je je eigen gedachten tweespalt verleent. Leidt zo’n gesprek ergens toe?

v: Wanneer begon u met schrijven?
a: Die vraag is alleen te stellen met ‘waar’.

v: U doelt op de ruimte waar u begon of de ruimte om te beginnen?
a: In die dubbele zin de ruimte die ik niet kreeg. Niet door de taal die ik toen nog rechtlijnig zag, met eenduidige woorden. Niet door de omgeving die cultuur alleen als gewassen erkende.

v: Hoe ziet u de literatuur? Als iets hoogstaands of als een willig voertuig voor elke mogelijke mentale oprisping? Brecht of Brusselmans?
a: Literatuur is voor mij de kans om de mummie van fictie fraîcheur te geven met een oorspronkelijke stijl en onomwonden suggesties over leven, liefde, dood en waarde.

v: Bent u sociaal geëngageerd met collega-schrijvers?
a: Ik drink liever alleen.

v: Ziet u ook iets van een ‘groeiende’ schrijver in uw werk? Of ligt deze vraag teveel voor de hand?
a: Ik ben aan de lopende band van de non-fictie gezet. Ik heb als journalist leren manoeuvreren van cliché naar cliché. En als copywriter heb ik mezelf getergd met opgepoetst werk dat glimmend in de kiem moest blijven. Een schrijver groeit dus nooit door onder z’n niveau te schrijven. In die zin heb ik een verleden waarin ik mezelf al schrijvende heb zien slinken.

v: Welke schrijvers ziet u als inspiratiebron, of zo u wilt, als erflaters die uw schrijven hebben verrijkt?
a: Fernando Pessoa om de heteroniemen, Pirandello om ‘Iemand, niemand, honderdduizend’ en Nabokov om ‘Doorzichtige dingen’. Kortom, als schrijvers transparantie bewerkstelligen, dan spiegel ik mij daar graag aan.

v: Geen Nederlandse schrijvers?
a: Om de zorgvuldige toonzetting en stijl: Frans Kellendonk, om het ingehoudene en dan ineens het verlossende: F. B. Hotz.