Janet Luis (over Het Talent):
“suggereert meer dan hij vertelt en bedient zich van eenvoudige, spreektalige zinnen. De lichtzinnige ondertoon en de intieme sfeer die hij op deze manier weet op te roepen, is mij iets liever dan de stroevere ernst en afstandelijkheid van Van der Schraaf,”

Jeroen Vullings (over Wijneigen):
“Bij geen andere contemporaine roman heb ik zoveel woorden moeten opzoeken. Een willekeurige zin: “Toen ik het braakhokdeurtje opentrok, begonnen de zwaden te wuiven in een tochtje.” Pardon? Die woorden zijn ongetwijfeld authentiek, maar Maarten ‘t Hart heeft lexicaal zo ver nog nooit durven gaan.”

Uit de brochure ‘Libris Literatuurprijs 2000’:
“Ook thematisch is er een grote verscheidenheid. P.F. Thomèse neemt de lezer mee naar het Parijs rond 1789, Gjelt de Graaf naar een benauwend Fries terpdorp, Nico Dros naar Texelse kerkoorlogen en Sybren Polet naar ongeveer alle denkbare en ondenkbare plekken in heden, verleden en toekomst.”

Over het ontwikkelingspotentieel van de schrijver:
Pieter Steinz:
“[hij] heeft het in zich om uit te groeien tot een grand cru van de Noord-Nederlandse barok.”
Rien Broere:
“Gjelt de Graaf [beschikt] over genoeg talent om benieuwd te zijn naar de verdere ontwikkeling ervan.”

Rick van de Ploeg, staatssecretaris Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in zijn speech ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van De Revisor:
“... het gewrongen ritme van het proza... van Gjelt de Graaf. Het stuk leest alsof je door de zware klei moet baggeren.”

Michel de Koning over de structuur van het werk:
“De schrijver schuwt het detail niet, integendeel. Toch stoort dit haast nergens: elke beschrijving heeft haar functie. Een ogenschijnlijk onnozele uitweiding blijkt verderop in het verhaal een zinvol vervolg te krijgen.”